Hoe weet je of er een T achter moet?

10 weergaven
De spelling van de uitgang van het voltooid deelwoord (-t of -d) hangt af van de verleden tijd. Eindigt de verleden tijd op -de of -den, dan krijgt het voltooid deelwoord een -d. Eindigt de verleden tijd op -te of -ten, dan volgt een -t. Deze overeenkomst vereenvoudigt de juiste schrijfwijze.
Reactie 0 vind-ik-leuks

Hoe weet je of er een T achter moet?

De Nederlandse taal kent twee vormen van het voltooid deelwoord: één op -t (bijv. gelopen) en één op -d (bijv. gekookt). De juiste schrijfwijze hangt af van de verleden tijd van het werkwoord.

Verleden tijd op -de of -den

Als de verleden tijd van het werkwoord eindigt op -de of -den, krijgt het voltooid deelwoord een -d:

  • koken -> kookte -> gekookt
  • wandelen -> wandelde -> gewandeld
  • studeren -> studeerde -> gestudeerd

Verleden tijd op -te of -ten

Als de verleden tijd van het werkwoord eindigt op -te of -ten, krijgt het voltooid deelwoord een -t:

  • lopen -> liep -> gelopen
  • eten -> at -> gegeten
  • fietsen -> fietste -> gefietst

Voorbeelden

Werkwoord Verleden tijd Voltooid deelwoord
lopen liep gelopen
koken kookte gekookt
studeren studeerde gestudeerd
wassen waste gewassen
eten at gegeten
wandelen wandelde gewandeld

Uitzonderingen

Er zijn enkele uitzonderingen op deze regel, zoals "gestopt" (van "stoppen") en "gevraagd" (van "vragen"). Deze uitzonderingen moet je gewoon onthouden.

Handige tip

Om te bepalen of er een -t of -d achter moet, kun je het werkwoord in de verleden tijd zetten. Als de laatste letter van de verleden tijd een -e is, volgt een -t. Als de laatste letter van de verleden tijd een -d is, volgt een -d.