Hoe vorm je het werkwoord "être" in het passé composé?

43 weergaven
Passé composé van être? Gebruik être zelf als hulpwerkwoord! Dit in tegenstelling tot de meeste werkwoorden die avoir gebruiken. Let op: être in passé composé is jai été, tu as été, il/elle/on a été, nous avons été, vous avez été, ils/elles ont été. De regelmaat is dus: être + passé participé (été).
Reactie 0 vind-ik-leuks

O jee, het passé composé van être... Altijd weer een klein beetje een gevecht, vind ik. Want ja, hoe doe je dat nou eigenlijk? Het is toch niet zomaar een werkwoord als alle andere, hè? Die andere werkwoorden, die pakken gewoon avoir als hulpwerkwoord. Maar être? Nee hoor, die is eigenwijs! Die gebruikt zichzelf! Klinkt gek, maar zo is het nou eenmaal.

Denk maar eens aan die keer dat ik in Frankrijk was, bij mijn tante in Normandië. Ik wilde haar vertellen dat ik moe was geweest, na die lange wandeling door de appelboomgaarden. En toen… a été? ai été? Mijn hersenen sloegen op hol! Uiteindelijk kwam ik er wel uit, hoor, met wat gezucht en gesteun. Maar dat voelde toch even… spannend.

Dus, even op een rijtje zetten. Het passé composé van être is: j'ai été, tu as été, il/elle/on a été, nous avons été, vous avez été, ils/elles ont été. Zie je? Être plus het passé participé été. Simpel, toch? Nou ja, eenmaal dat je het doorhebt wel. Het is gewoon être in de present, en dan achter dat hulpwerkwoord het verleden deelwoord, été. Zo simpel is het eigenlijk wel.

Maar ach, ik vergeet het nog wel eens. En ik ben er niet de enige in, denk ik. Ik heb ooit een hele cursus Franse grammatica gevolgd – echt waar, wekenlang! – en toch blijf ik er af en toe over struikelen. Misschien moet ik gewoon wat meer oefenen, meer Franse films kijken, meer boeken lezen… zou dat helpen? Of toch gewoon meer tijd met mijn tante in Normandië doorbrengen? Dat zou in ieder geval een prima excuus zijn!