Welke vitamines plas je niet uit?

93 weergaven
Wateroplosbare vitamines worden overtollig uitgescheiden via de urine. Bij vetoplosbare vitamines, en B3 en B6, is voorzichtigheid geboden vanwege hun ophopingsmogelijkheid. Mineralen worden alleen effectief opgenomen bij een bestaand tekort; suppletie is dan zinvol.
Reactie 0 vind-ik-leuks

Welke vitamines blijven in je lichaam? Een kijkje in de wereld van vitaminen en mineralen

We worden constant gebombardeerd met reclames voor vitaminen en supplementen. Maar hoe werkt het eigenlijk? Welke vitamines worden door ons lichaam opgeslagen en welke plassen we gewoon weer uit? En wat zit er achter de bewering dat mineralensuppletie alleen zinvol is bij een tekort? Laten we eens dieper duiken in de fascinerende wereld van vitamines en mineralen.

Het belangrijkste onderscheid zit hem in de oplosbaarheid: wateroplosbaar of vetoplosbaar. Dit bepaalt in grote mate of een vitamine wordt opgeslagen of uitgescheiden.

Wateroplosbare vitamines, zoals vitamine C en de B-vitamines (met uitzondering van B3 en B6), worden gemakkelijk opgenomen in het bloed en bij een teveel aan inname, efficiënt via de urine uitgescheiden. Dit betekent dat je lichaam overtollig vitamine C of B1 bijvoorbeeld niet opslaat; je plast het gewoon uit. Daarom is het over het algemeen veilig om deze vitamines in relatief hoge doses te nemen, al is het raadzaam om de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid niet te overschrijden.

Vetoplosbare vitamines (A, D, E en K) gedragen zich anders. Deze worden opgeslagen in de lever en vetweefsel. Dit betekent dat een overdosis van deze vitamines zich kan ophopen en op lange termijn schadelijk kan zijn. Voorzichtigheid is dan ook geboden bij suppletie met vetoplosbare vitamines.

Een uitzondering op de regel: Hoewel vitamine B3 (niacine) en vitamine B6 wateroplosbaar zijn, kunnen overmatige hoeveelheden wel degelijk leiden tot ophoping en bijwerkingen. Een overdosis vitamine B3 kan bijvoorbeeld leiden tot leverbeschadiging.

Mineralen vormen een apart verhaal. Ons lichaam reguleert de opname van mineralen zeer nauwkeurig. Bij een tekort aan een bepaald mineraal, zoals ijzer of calcium, zal het lichaam de opgenomen hoeveelheid efficiënt gebruiken. Suppletie is dan zinvol en kan bijdragen aan het herstellen van het tekort. Echter, bij een voldoende aanvoer van mineralen via de voeding, zal het lichaam overtollige mineralen nauwelijks opnemen en vaak via de urine of ontlasting uitscheiden. Suppletie bij een reeds voldoende mineraalniveau is dus overbodig en kan zelfs schadelijk zijn.

Conclusie:

De vraag welke vitamines je niet uitplast is dus niet eenduidig te beantwoorden. Wateroplosbare vitamines (met uitzondering van B3 en B6) worden in principe uitgescheiden, terwijl vetoplosbare vitamines worden opgeslagen. Bij mineralen is suppletie enkel zinvol bij een bestaand tekort. Een evenwichtige en gevarieerde voeding is de beste manier om voldoende vitamines en mineralen binnen te krijgen. Raadpleeg bij twijfel altijd een arts of voedingsdeskundige voordat je begint met het nemen van supplementen. Zij kunnen je adviseren over de juiste dosering en eventuele risico’s.