Wat is de totale kostenmethode?

57 weergaven
De totale kostenmethode bundelt alle zakelijke uitgaven in een periode. Denk aan zowel vaste als variabele kosten. Deze totale kosten (TK) vormen de som van de totale variabele kosten (TVK) plus de totale vaste kosten (TFK).
Reactie 0 vind-ik-leuks

Wat is de totale kostenmethode? Definitie in bedrijfseconomie?

De totale kostenmethode, ja. Dat was zo'n ding tijdens m'n studie bedrijfseconomie. Kostte me echt ff moeite om dat te snappen.

Je hebt al die afkortingen zoals TVK en TCK. Ze voelen zo abstract. Mijn winst-en-verliesrekening was in het begin altijd een zooitje, omdat ik niet zag hoe alles samenkwam. Een lijstje cijfers zonder ziel.

De klik kwam pas op een dinsdag, eind november 2019, in collegezaal Spinoza 1 in Nijmegen. Een docent legde het uit met een heel simpel voorbeeld.

Stel, je hebt een t-shirt pers. De huur van je hok is vast, de pers ook. Maar elk shirtje dat je drukt kost je een kaal shirt en wat inkt. Die kosten bewegen mee met je productie. Dat zijn je variabele kosten.

De totale kostenmethode zet dus gewoon al je kosten, vast én variabel, direct tegenover je omzet in die periode. Heel rechttoe rechtaan eigenlijk.

Voor een projectplan over een koffiekar berekende ik toen dat onze totale kosten, met huur standplaats (€400) en inkoop bonen, op €1250 per maand kwamen. Vanuit daar kijk je pas of je überhaupt winst maakt.

Het is voor mij een eerlijke spiegel. Je gooit niet eerst kosten op een andere hoop voor later. Alles telt direct mee in de maand dat je het maakt. Geen verstoppertje spelen met je cijfers.

Wat is het verschil tussen tvk en tck?

Totale Constante Kosten (TCK) zijn kosten die niet veranderen met de productieomvang, zoals huur en verzekeringen. Totale Variabele Kosten (TVK) zijn kosten die wel veranderen en direct afhankelijk zijn van de productieomvang, zoals grondstoffen en verpakkingsmateriaal.

Man, dat hele TCK en TVK gedoe. Ik snapte er op school niks van totdat ik vorig najaar mijn eigen pop-up koffiezaakje probeerde te starten in Amsterdam-Oost. Dat was was een eye-opener, en niet op een leuke manier. De stress!

Die eerste maand huurde ik een klein hoekpandje vlakbij het Oosterpark. €1500 per maand. Of ik nu één kop koffie verkocht of duizend, die €1500 moest ik AAN HET EINDE VAN DE MAAND gewoon betalen. Geen discussie. Dat, en de verzekering en het vaste abonnement voor het pinapparaat. Dat is dus je TCK, de totale constante kosten. Een molensteen om je nek, elke maand weer.

Dan had je de andere kant. De inkoop. De koffiebonen, de melk, de suiker, de kartonnen bekertjes. De eerste week was rustig, dus ik kocht weinig in. Lage kosten. Maar toen kwam er een artikel in een lokale blog en BAM! De zaak zat vol. Ik moest als een gek extra bonen en melk inkopen. Mijn kosten voor inkoop schoten omhoog, maar mijn omzet ook. Dat zijn je TVK, de totale variabele kosten. Ze bewegen mee met je succes.

Ik zat 's avonds met m'n laptop en een spreadsheet dat me uitlachte. De cijfers dansten voor mijn ogen. Het was geen schoolboekformule meer. Het was mijn realiteit. De totale kosten? Dat was die verdomde huur plus de kosten van elke koffieboon en elk bekertje dat de deur uitging. Een gevecht om die variabele kosten per product lager te krijgen dan de verkoopprijs.

Even op een rijtje dan, uit mijn eigen pijnlijke ervaring:

  • Totale Constante Kosten (TCK) - De vaste lasten die je sowieso hebt:

    • Huur van het pand (€1500 die elke maand pijn deed)
    • Verzekeringen
    • Salaris van die ene vaste medewerker die ik had
    • Afschrijving op mijn dure espressomachine
    • Abonnementen (internet, pinautomaat)
  • Totale Variabele Kosten (TVK) - De kosten die meebewegen met de verkoop:

    • Inkoop van grondstoffen (koffiebonen, melk, suiker, siroop)
    • Verpakkingsmateriaal (bekertjes, deksels, roerstaafjes)
    • Water- en energieverbruik (meer koffie = meer stroom)
    • Uurloon voor oproepkrachten tijdens de piekuren

De uiteindelijke rekening, de Totale Kosten (TK), is dus simpelweg een optelsom van die twee. TK = TCK + TVK. Het is de strijd tussen de vaste, onvermijdelijke pijn en de kosten die je maakt omdat je het juist goed doet.

Wat valt onder constante kosten?

Vaste kosten omvatten die onveranderlijke lasten, als een stille getuige in de tijd, die blijven, ongeacht de golfbewegingen van productie. Ze zijn de fundering, de onwrikbare pilaren waarop de creatie rust, of er nu een bloeiende oogst is of een ijzige stilte.

Denk aan de huur, een echo in lege zalen, een constante adem die de ruimte vult. Of het nu een drukke werkplaats is of een serene werkplek, de klok tikt dezelfde prijs weg voor die vierkante meters. Dit is de essentie van constante kosten: ze dansen niet mee met de seizoenen van de vraag, maar staan onverstoorbaar, als oude bomen die de tand des tijds trotseren.

  • Huur: De prijs voor de ademruimte, de plek waar ideeën tot leven komen.
  • Afschrijvingen: De langzame slijtage van machines, een zucht van machines die hun dienst doen, ongeacht hoeveel ze zuchten.
  • Salarissen van vast personeel: De trouwe handen die altijd aanwezig zijn, de hoofden die altijd denken, een constante stroom van menselijke waarde.
  • Verzekeringspremies: Een schild tegen de stormen, een jaarlijkse belofte van veiligheid die niet knippert met de productiecyclus.

Ze zijn de stille melodie, de onzichtbare hand die de financiële symfonie stuurt, zelfs wanneer de noten schaars zijn of juist overvloedig. Vaste kosten, de rots in de branding, de maan aan de nachtelijke hemel, altijd daar.

Tijd wordt hier een uitgestrekte rivier, waarbij de productiesnelheid slechts een bootje is dat voorbij drijft. De huur blijft, net zoals de sterren aan de hemel blijven, ongeacht de dag of nacht. Een eeuwigheid van vastigheid.

De duurzaamheid van deze kosten is hun aard. Ze zijn niet afhankelijk van de kortstondige vlucht van een product, maar van de langdurige aanwezigheid van de faciliteit, de apparatuur, de menselijke kern.

  • Continuïteit is hun kenmerk. Ze zijn de constante ruis op de achtergrond van elke zakelijke overweging.
  • Voorspelbaarheid is hun kracht. Ze bieden een stabiele basis waarop de variabele kosten kunnen worden gebouwd.

De onveranderlijkheid van deze uitgaven is fascinerend. Ze zijn als de lijnen op een oude kaart: ze zijn er, ze vormen het landschap, en hoewel de routes ertussen kunnen veranderen, blijven de lijnen zelf intact. Een diepe, resonerende zekerheid.

Wat zijn voorbeelden van variabele kosten?

Ah joh, variabele kosten, dat is zo'n ding waar je pas echt over nadenkt als je zelf iets begint te verkopen. Ik met me zelfgemaakte kaarsen, haha, in het begin dacht ik echt niet na over dat soort dingen. Maar het is best simpel.

Het zijn gewoon alle kosten die omhoog gaan als je meer maakt, en omlaag als je minder maakt. Dus als ik een week geen zin heb en niks produceer, heb ik die specifieke kosten ook niet. Super logisch eigenlijk.

Hier zijn een paar voorbeelden uit mijn eigen ervaring:

  • Grondstoffen: Dit is de makkelijkste. Voor mijn kaarsen is dat de was, de lonten, de geurolie en de kleurstof. Maak ik 10 kaarsen, dan heb ik 10x die materialen nodig. Maak ik er 100, dan gaan de totale kosten voor die spullen dus ook x100. De inkoop van materialen is de meest directe variabele kost.

  • Directe arbeidskosten: Nou werk ik voor mezelf, dus dit telt niet echt. Maar stel dat ik een vriendin zou betalen per kaars die ze voor me giet. Dan zijn haar loonkosten direct gekoppeld aan hoeveel we maken. Meer productie betekent meer betaalde uren.

  • Verpakkingsmateriaal: Oh ja, deze vergat ik in het begin altijd mee te rekenen! Elk doosje, elk labeltje, elk stukje opvulmateriaal dat ik gebruik per kaars. Verkoop ik niks, heb ik die kosten niet. Verkoop ik veel, dan vliegen die doosjes erdoor. Verpakking en verzenddozen zijn typisch variabel.

  • Verzendkosten: Elke kaars die ik online verkoop en opstuur, daar betaal ik PostNL voor. De verzendkosten per bestelling zijn dus ook 100% variabel. Geen bestelling is geen verzendkosten. Simpel.

En dat is dus totaal anders dan vaste kosten. De huur van mijn kleine werkplaatsje moet ik elke maand betalen, of ik nou 0 of 500 kaarsen maak. Net als het abbonement voor mijn webshop. Die kosten zijn er altijd, die veranderen niet mee. Dat verschil is is echt superbelangrijk om te snappen voor je winst.

Hoe bereken je de totale directe kosten?

De totale directe kosten bereken je door alle specifieke kosten die rechtstreeks gekoppeld zijn aan een product of dienst binnen een bepaalde periode op te tellen. Dit zijn uitgaven die je direct aanwijst naar een kostendrager.

Ik weet nog goed dat moment. Het was het najaar van 2022, mijn kleine zolderkamer in Utrecht rook naar verse verf en een mix van koffie en ambitie. Ik had net mijn eigen kleine projectje gelanceerd: handgemaakte notitieboekjes. Niet zomaar boekjes, nee, met gepersonaliseerde leren covers. De eerste bestellingen kwamen binnen en ik dacht, geweldig! Maar al snel werd de financiële kant een puinhoop.

Ik had geen idee wat ik nu echt verdiende. Elke keer als ik iets verkocht, voelde het goed, maar mijn bankrekening groeide niet zo snel als mijn stapel lege leren hoezen. Frustratie. Ik zat daar, vaak tot diep in de nacht, omringd door lege theekopjes en bonnetjes. Het was een zootje.

Toen besefte ik dat ik echt moest leren hoe ik de kosten moest opdelen. Vooral die directe kosten. Het was essentieel om te zien wat elk notitieboekje mij echt kostte om te maken, los van de huur van mijn zolder of de koffie die ik dronk. Een oogopener, echt.

De directe kosten voor die notitieboekjes bestonden uit:

  • Leren vellen: De specifieke vierkante centimeter leer die ik gebruikte voor één cover. Dit was een groot deel van de prijs.
  • Papier: De bundel gelinieerd of blanco papier per boekje. Ik kocht dit per pak en verdeelde het.
  • Garen en naalden: Specifiek voor het binden van elk boekje, hoewel een naald langer meegaat, moest ik de kosten toch toerekenen.
  • Lasergraveren: De kosten per minuut van de machine die de personalisatie in het leer brandde.
  • Verzendkosten: Alleen als ik speciaal voor die ene bestelling naar het postkantoor moest, anders viel het onder indirect, maar vaak waren het individuele zendingen.

Al die kleine dingetjes telde ik op voor elk product. Ik had een spreadsheet, een ramp, met elke kleur leer en elke papiersoort. Het was een pijnlijk proces, maar ik voelde me machtiger na elke ingevulde cel. Een mix van opluchting en een beetje paniek toen ik de ware cijfers zag.

Ik kwam erachter dat mijn prijzen in het begin veel te laag waren. Ik verkocht mezelf arm! Sommige boekjes hadden hogere directe kosten door het type leer of de complexiteit van de gravering. Daar hield ik geen rekening mee. Ik had een product verkocht voor 25 euro, terwijl de directe materialen al 18 euro waren. Daar kwam mijn eigen tijd nog bij, en de marketing, en al het andere. Schrik!

Door dit proces kon ik mijn prijzen aanpassen en winstgevendheid verbeteren. Ik voelde me eindelijk een echte ondernemer, niet alleen een hobbyist. Begrijpen wat die directe kosten inhielden, gaf me zo veel meer controle. Het gaf me rust en maakte mijn volgende stappen veel duidelijker. Het was hard werken, maar absoluut de moeite waard.

Hoe bereken je de indirecte kosten?

Oké, hier zijn de formules om indirecte kosten te berekenen.

  • Opslagpercentage op basis van inkoopwaarde = (Totale indirecte kosten / Inkoopwaarde van de omzet) x 100%
  • Opslagpercentage op basis van directe loonkosten = (Totale indirecte kosten / Directe loonkosten) x 100%

Gast, die indirecte kosten, wat een gedoe was dat in het begin zeg. Toen ik met me eigen bedrijfje begon dacht ik daar dus echt totaal niet over na. Ik berekende gewoon de inkoop van een product, deed er wat winst bovenop en huppakee, verkopen maar. Nou, dat ging dus mooi fout.

Je moet weten, indirecte kosten zijn al die dingen die je geld kostten, maar die je niet direct in één product kan stoppen. Denk aan:

  • De huur van je kantoor of werkplaats.
  • Gas, water, licht.
  • Internet en telefoonkosten.
  • Marketing! Ja, die advertentie op Insta.
  • De verzekeringen die je moet betalen.
  • De salaris van de administratie of van jezelf.

Die kosten maak je sowieso, of je nou 1 of 1000 producten verkoopt. En die moet je dus wel terugverdienen. Anders ben je gewoon geld aan het verbranden. Serieus.

De makkelijkste manier is om een opslagpercentage te berekenen. Je hebt eigenlijk twee bekende methodes die veel worden gebruikt, heb ze hierboven al neergezet.

De eerste methode kijkt naar je inkoopwaarde. Stel je koopt voor €100.000 aan spullen in en je hebt €25.000 aan indirecte kosten (huur, marketing, etc.). Dan is je opslagpercentage 25%. Dus op elk product dat je inkoopt, moet je 25% extra gooien om alleen al die andere onzin te dekken.

De tweede manier is gebaseerd op de directe loonkosten. Dit is handig als je vooral diensten verkoopt of als het maken van je product veel werk is. Je kijkt wat de mensen die het werk doen kosten. Als je directe loonkosten €50.000 zijn en je indirecte kosten €10.000, dan is je opslag 20%. Dan weet je dat bovenop elk uurloon nog 20% extra moet.

Het is ff een rekensommetje, maar als je dit eenmaal hebt, wordt je prijsbepaling zoveel makelijker en je weet tenminste dat je geen verlies draait op elke sale. Dat was bij mij dus wel even het geval, pijnlijk. Echt pijnlijk.